Saturday, February 05, 2005

 

Het oeroude recht der Erfgooiers


Erfgooiers en het Gooi
Het Gooi werd in de vroege middeleeuwen Naerdincklant of Nardingerland
genoemd en de bevolking Nardingerlanders. Nadat de naam ‘t Gooi ontstond,
noemde men de inwoners Lantgooiers en tenslotte Erfgooiers. Sinds 968 was
de streek in het bezit van de Abdis van Elten, die ook het bestuurde. Een
adellijke dame die zo ver weg woonde van haar bezit, dat had voordelen
voor de bewoners. Zij sloten zich al vroeg aaneen in een soort ‘marke’,
die het gemeenschappelijk gebruik van graslanden en woeste gronden
regelde.
Waarschijnlijk wisten ze niet beter of ze waren niet alleen de gebruikers,
maar ook de eigenaren van de grond. Wanneer een groep boeren besloot een
stuk hei te ontginnen tot akkergrond, dan moest men echter een soort
belasting betalen. Deze zogenaamde koptiende werd ook daarna ieder jaar
door de eigenaren van ieder perceel afgedragen aan Elten.
Eeuwenlang veranderde er weinig aan het bestuur en de gebruiken. De
afwezigheid van een krachtig bestuur had ook zijn nadelen. Rondom het
gebied dreigden edelen het bestuur over te nemen. De Abdis besloot daarom
niet de grond, maar het bestuur van Naerdincklant over te dragen. Tegen
een kleine vergoeding voegde Graaf Floris V in 1280 de streek bij het
Graafschap Holland. Zelfs daarna waren er nog adellijke kapers op de kust,
zoals Van Aemstel. Zij noemden de graaf smalend ‘der Keerlen God’ oftewel
‘de God van de boeren’. De bevolking was de graaf welgezind en vond deze
kreet een erenaam. Zij bewezen dit tijdens de ontvoering van Floris door
zijn ondergeschikte edelen. De Nardinglanders poogden de graaf te redden,
maar hij werd lafhartig in 1296 vermoord. Onder invloed van de Vaderlandse
Geschiedenis ontstond later de legende van een Floris die de erfgooiers
het Gooi had geschonken. In 1326 wisten de Nardinglanders wel beter, na
ontvangst van een brief van graaf Willem III. De Hollandse graaf verbood
daarin zijn goede lieden van Gooiland om te vergaderen zonder zijn
toestemming. Hem was ter ore gekomen dat door de “ghemeene lande”
aangestelde raadslieden een volksvergadering bij elkaar riepen.

Gemeenschappelijk gebruik.
Het ontstaan van het gemeenschappelijk gebruik van heiden en weiden van
het Gooi is onbekend. Vanaf 1404 werd het geregeld in de zogenaamde
schaarbrieven en bosbrieven. In de schaarbrieven stond omschreven hoeveel
vee een gerechtigde mocht scharen. Een schaar is letterlijk een stuk
weiland van bepaalde grootte, zo veel als nodig is om een koe te voeden.
In uitgebreider betekenis kwam het neer op de hoeveelheid koeien die een
boer mocht laten grazen op de gemeenschappelijke weide, de Meent genaamd.
In de opvolgende schaarbrieven werden de rechten van de “gemeene
lantgoyers” steeds verder uitgewerkt, maar ook het uitsluiten van
niet-gerechtigden. Het instituut Stad en Lande doet zijn intrede, het
begrip Erfgooier komt pas in 1702 op schrift voor. In die tijd waren er al
scharende (veehoudende) en niet-scharende leden. Huizer vissers zullen
alleen gebruik hebben gemaakt van het maken van eiken takkenbossen voor
het roken van vis. Hout sprokkelen en turf steken zal door iedereen zijn
gedaan, dat was het enige voordeel dat de wevers en armlastigen hadden.
De scharende erfgooiers, de boeren, hadden het meeste voordeel van de
gemeenschappelijke rechten. Ook zij konden niet alleen leven van de
veehouderij, de meesten hadden een gemengd bedrijf. Het vee diende in
hoofdzaak voor de levering van mest voor de zanderige akkers. In de winter
stonden de koeien in een potstal op een steeds hoger wordend mestpakket.
Ieder dag strooide de boer stro en heideplagen onder de koeien. In het
voorjaar bepaalde de hoeveelheid mest de oppervlakte van vruchtbare akkers
op de zogenaamde Eng. Aangezien op de hoge gronden sloten ontbraken,
werden tussen de Meent en de Eng zogenaamde koedijken aangelegd. Het waren
muurtjes die bestonden uit opgestapelde plaggen. Na de komst van het
prikkeldraad zijn hieruit houtwallen ontstaan. Veldkeien gaven de
onderlinge grenzen van de lange smalle akkers aan. Het kwam voor dat deze
keien stiekem werden verplaatst en de dader een lange ploegvoor erbij
stal.
____________________________-
Deutsche Zeitung in den Niederlanden März 1943

Das uralte R echt der ‚Erfgooiers’
Die Eingesessenen kämpfen hartnäckig um ihre Ansprüche .

Als ,Het Gooi’ im Jahre 1874 durch den Bau einer Eisenbahn
erschlossen wurde, entwickelte es sich in atemberabenden Tempo zu einem
Erholungszentrum der Amsterdamer, wodurch die bäuerliche Bevölkering stark
in den Hintergrund gedrängt wurde. Heute spielt diese im Gooi scheinbar
nur noch eine bescheidene Rolle, und doch hat sich hier ein uralter
Brauch erhalten können, der selbst in neuerer Zeit nochmals gesetzlich
geregelt worden ist; das Recht der ,Erfgooiers’. Es ist darüber viel
geschrieben und geredet worden, wobei sich der streittbare Charakter des
Gooilanders erneut zeigte, der im Mittelalter als Kämpfer einen
ähnlichen Ruf hatte wie etwa der Kosak im kaiserlichen Russland ! Um
die Bezeihnung ,Erfgooier’ zu verdeutlichen, bedarf es eines kurzen
Rückückblicks auf die Geschichte und Entwickelung dieses Landstrichs.
,Het Gooi’ hiess vor tausent Jahren ‚Nardinclant’ und gehörte zum
Besitz des Klosters von Elten, das es 1280 zum Besitz dem Grafen von
Holland in Erbpacht überliess. Damals war das Land noch wild und wüst und
wenig bevölkert. Es bestand eigentlich nur aus einer Gemeinde, eben aus
Nardinclant, die sich dan allmählich in mehere Dorfer spaltete. Es
entstanden Laren, Huizen, Blaricum, Hilversum und Bussum, die aber alle an
dem alten Brauch von Nardinclant festhielten, die umliegende Weiden und
Wälder als gemeinsamen Besitz betrachteten und als solchen nutzten: ‚de
gemeene heiden en weiden’, zusammenfassend ‚de meent’ geheissen.
In den Niederlanden nennt der Bauer sein Haus und Land kurz ‚erf’,
weil er ja beides meist von den Vorvaren erbte. Jeder Gooibewohner, der
nun ein ‚Erf’ sein eigen nannte, hatte das Recht, ,de Meent’ zu benutzen
und auch das Holz in den Wäldern zu schlagen, die ‚plaggen’ in der Heide
zu stechen. Dies Recht nannte man ‚schaarrecht’, und die Familien der
Eingesessenen, die es beanspruchen konnten, taten dies auf Grund eins
‚schaarbrief’. Verliessen sie Het Gooi so wurde es ein ‚schlafendes’
Recht, das wieder in Kraft trat, sobald sie sich erneut im Gooi
niederliessen. Diese Familien nun waren die ‚Erfgooiers’. Niemand machte
ihnen ihr Recht streitig, solange die Gooigemeinden von eingesessenen
Bugermeistern verwaltet wurden, die meist selber zu den Erfgooiern
gehörten. Ende des 19 Jahrhunderts aber wurde das anders. Die Gemeinden
begannen, sich als Herren und Besitzer der Wälder und Weiden der
Erfgooier zu fühlen und veräuserten diese, wenn es ihnen gut dünkte, ohne
die Erfgooier zu fragen. Diese dachten jedoch nicht daran sich so ohne
weiteres in diese ‚neumodischen Auffasungen’ zu fügen und es begann sich
ein Kampf zu entwickelen, der überall in den Niederlanden mit grossem
Interesse verfolgt wurde. Er liess nichts an Heftigkeit zu wünschen
übrig, wenn er auch vornehmlich mit der Feder und dem Wort geführt wurde
. Einmal jedoch musste selbst die bewaffnete Macht antreten, um die
erhitzten Gemüter zur Ordnung zu rufen. Es gab eine Schiezerei und ein
Toter war zu beklagen .... Aber die Gooiländer zeigten eben, was sie als
Kämpfer wert waren und so konnte es nicht anders sein: sie blieben
Sieger! Dies hatten sie vor allem ihrem unermüdlichen Anführer zu
danken, einem angesehenen Utrechtsche Bürger, Floris Voss, der die Sache
der Erfgooier zu seiner eigenen machte, die ‚Nieuwe Partij gründetete und
die Verwaltung von‚ Stad en Lande’, die vereinigten Gooigemeinden ,
heftig bekämpfte. Er entstammte einer alten Huizer Familie und hatte sich
wieder im Gooi niedergelassen, wodurch sein Recht als Erfgooier, das
lange ‚schlafend’ gewesen war, erneunt in Kraft trat. Floris Voss kämpfte
hartnäckig und zäh wie ein echter Gooiländer, wobei er manchmal heftig mit
der hohen Obrigkeit zusammenprallte, ohne seine Sache je verloren zu
geben. Er erreichte es, dass die Erfgooiers wieder als Besitzer der Meent
anerkannt wurden und ihr Recht gesetzlich bestätigt wurde durch das
sogenannte ‚Erfgooiers Gesetz’ vom Jahre 1912. Heute bilden die Erfgooiers
eine besondere Genossenschaft, die im ‚Gemeenlandshuis’ tagt. Einem
stattlichen Gebäude in der Nähe der Crailooschen Brücke, unweit Hilversum,
das der berühmte Architekt De Bazel den Erfgooiern baute. Dort werden auch
die alten Dokumenten aufbewahrt, aus denen einwandfrei hervorgeht, dass
die rechte der Erfgooier schon verbrieft waren, ehe dieser Landstrich
überhaupt ‚Het Gooi’ hiess! Man erfährt aus diesen vergilbten
Schriftstucken, dass Gooiland eine Zeitlang dem Koning von Preussen
gehörte, als dieser das Kloster von Eltern und alle dazugehörende
Landereien im 18 Jahrhundert übergenommen hatte. Das Erbpachtrecht war
von der Grafen von Holland längst an die ‚Staten’ von Niederland
übergegangen und von diesen an die königlichen Domänen, die sich mit den
Erfgooiern Mitte des 19 Jahrhunderts gütlich auseinandersetzten und ihnen
ihr Recht liessen.

Die Besitzer des Landes ‚Het Gooi’ heben also häufig genug
gewechselt, die bewohner aber dieselben geblieben. Die erfgooiers werden
wohl, wie es in Schriftstücken heisst, ‚ten eeuwigen daghe’ Besitzer der
Meent bleiben und ihre Kühe dort weiden, hartnäckig an altem Recht
festhaltend. So finden sich heute am Rande jener wohlgepfegte
Villenkolonien , den ausgedehntesten der Niederlande, hart neben den
prächtigen ‚laanen und plantsoenen’, die onübersehbaren Weideplätze der
‚Meent’ , bevölkert von Hunderten und aber Hunderten von Kühen.
M.P.
__________________________________
Nederlandse vertaling van bovenstaand artikel

Het oeroude Recht van der ‚Erfgooiers’.
De inwoners vochten hardnekkig om hun aanspraken


Als, Het Gooi’ in het jaar 1874 door de bouw van een spoorlijn (1)
ontsloten werd, ontwikkelde het zich in adembenemend tempo tot een
ontspanningscentrum (2) , waardoor de boerenbevolking sterk naar de
achtergrond werd gedrongen. Tegenwoordig speelt deze in het Gooi
schijnbaar nog slechts een bescheiden rol, en toch heeft zich hier een
oeroud gebruik kunnen handhaven, dat zelfs in de nieuwere tijd nog
wettelijk geregeld is: het recht van de ‚Erfgooiers’. (3) Er is daarover
veel geschreven en gesproken, waarbij het strijdbare karakter van de
Gooilanders zich opnieuw toonde, die in de middeleeuwen als strijders een
vergelijkbare roep hadden als de Kozakken in het keizerlijke Rusland! (4)
Om de betekenis ‚Erfgooiers’ te verduidelijken , is nodig een korte
terugblik op de geschiedenis en ontwikkeling van deze landstreek.
‚Het Gooi’ heette voor duizend jaren ‚Nardinclant’ en behoorde tot
het bezit van het Klooster van Elten (5) , dat het in 1280 in erfpacht
overliet aan de Graven van Holland (6) Toentertijd was dat land nog
wild en woest en dun bevolkt. Het bestond eigenlijk slechts uit een
gemeenschap, dus uit Nardinclant, dat zich langzamerhand in meerdere
dorpen splitste. Zo ontstonden Laren, Huizen, Blaricum en Bussum (7) ,
die echter allen aan het oude gebruik van Nardinclant vasthielden,
daarbij de omliggende weiden en bossen als gemeenschappelijk bezit
beschouwden en ook als zodanig benutten: ‚de gemeene heiden en weiden’,
samengevat ‚de Meent’ geheten.
In Nederland noemt de boer zijn huis en land kortweg ,erf’, omdat
hij beiden meestendeels van de voorvaderen erfde. Iedere Gooibewoner ,
die nu een ,erf’ zijn eigendom noemde, had het recht ,de Meent’ te
benutten en ook het hout in de bossen te kappen, en ,plaggen’ (8) te
steken op de heide. Dit recht noemde men ,schaarrecht’ (9) Verlieten zij
Het Gooi, dan werd het een ‚slapend recht’ , dat weer in kracht trad,
zodra zij zich opnieuw in het Gooi vestigden . Deze families nu waren de
,Erfgooiers’. Niemand bestreed hun recht, zolang de Gooise gemeenten
door inheemse burgemeesters bestuurd werden, die meestal zelf tot de
Erfgooiers behoorden. Einde van de 19e eeuw echter werd dit anders. De
gemeenten begonnen zich als heersers en bezitters van de bossen en
weiden te voelen en vervreemden deze naar het hun goed dunkte, zonder de
erfgooiers te raadplegen. Deze dachten er echter niet aan zich zo zonder
meer naar deze , nieuwe moderne opvattingen’ te voegen, en er begon zich
een strijd te ontwikkelen, die overal in Nederland met grote interesse
werd gevolgd. Er bleef niets aan heftigheid te wensen over, hoewel die
toch voornamelijk met de pen en het woord gevoerd werd. Eenmaal echter
moest zelfs de gewapende macht ingrijpen, om de verhitte gemoedeen tot de
orde te roepen. Het kwam tot een schietpartij, en een dode was te
betreuren.... (10) Echter de Gooilanders toonden bepaald, wat zij als
strijders waard waren en konden niet anders zijn: zij bleven overwinnaars!
Dit hadden zij vooral aan hun onvermoeibare aanvoerder te danken, een
aanzienlijke Utrechtse burger, Floris Vos, die de zaak van de Erfgooiers
tot zijn eigen maakte, de ‚Nieuwe Partij’ (11) oprichtte en het beheer
van ,Stad en Lande’, de verenigde Gooise gemeenten (12) hevig bestreed.
Hij stamde af van een oude Huizer familie en had zich weer in het Gooi
gevestigd, waardoor zijn recht als erfgooier, dat lang ,slapend’ geweest
was, opnieuw in kracht trad. Floris Vos streed hardnekkig en als een echte
Gooilander waarbij hij menigmaal heftig met de hogere overheid in
botsing kwam, zonder zijn zaak ooit op te geven. Hij bereikte het, dat
de Erfgooiers weer als bezitters van de Meent erkend werden en hun recht
wettelijk geregeld werd door de zogenaamde ‚Erfgooierswet’ van 1912. (13)
Tegenwoordig vormen de Erfgooiers een bijzonder genootschap, dat in het
‚Gemeenlandshuis’ zitting houdt, een imposant gebouw in de buurt van de
Crailose Brug, dichtbij Hilversum , dat de beroemde architect De Bazel
voor de Erfgooiers bouwde. Daar worden ook de oude documenten bewaard,
waaruit onomstotelijk blijkt dat de rechten van de Erfgooiers al
beschreven waren, eer deze landstreek überhaupt ,Het Gooi’ heette! Men
onderkent uit deze vergeelde geschriften, dat Gooiland een tijdlang van
de koning van Pruisen hoorde, toen deze het klooster van Elten en alle
daarbij behorende landerijen in de 18e eeuw overgenomen had. Het
erfpachtrecht was van de Graven van Holland al lang te voren overgegaan
aan de ‚Staten’ van Nederland en van deze naar de koninklijke domeinen,
die zich met de Erfgooiers in het midden van de 19e eeuw goed konden
vinden en hun recht liet behouden.
De bezitters van Gooiland wisselde dus vaak genoeg, de bewoners
echter zijn dezelfde gebleven. De Erfgooiers zullen wel, zoals het in
oude schriftelijke akten heet, ,ten eeuwige daghe’ bezitters van de Meent
blijven en hun koeien daar weiden, hardnekkig aan het oude recht
vasthoudend. Zo bevinden zich tegenwoordig aan de rand van welverzorgde
villaparken, de uitgestrektste van Nederland, vlak naast de prachtige
,lanen en plantsoenen’, de onoverzienbare weidepercelen van de ‚Meent’,
bevolkt van honderden en nog eens honderden koeien.
---------------------------------
F.J.J. de Gooijer heeft bewust de tekst zo letterlijk mogelijk vertaald.
De zinnen lopen daarom soms niet goed.
Voor verdere informatie zie http://gooijer.netfirms.com met o.a.
een bibliografie met boeken over Gooiland en de Erfgooiers.

Noten:
1. Aansluiting op de Oosterspoorlijn Amersfoort - Amsterdam
2. Forenzengemeenten Hilversum en Bussum. Vakantiedorp en schildersdorp
Laren en in mindere mate ook Blaricum.
3. De naam Erfgooier duikt voor het eerst op in een akte van 1706.
Voorheen sprak men van ,gemeene landgooiers’. (gemeen = gewoon)
4. Overgenomen van de kroniekschrijver Lambertus Hortensius ca. 1500 –
1574
5. Het Sint Vitusklooster voor adellijke dames gelegen op de Elterberg.
6. Abdis Godelinde droeg het Gooi over aan Graaf Floris V
7. Het hoofdstadje was Naarden, waarbij ook het gehucht Bussum tot ca.
1815 behoorde.
8. Het Gooi bestaat voor een groot deel uit de zanderige stuwwal van de
voorhistorische gletsjers. De landbouw akkers moesten vruchtbaar gemaakt
worden met de koe- en schapenmest uit de potstallen. In plaats van stro
werden heide plaggen voor de ligging van het vee gebruikt.
9. Een schaar was een bepaald maximum aantal koeien, dat per boer geweid
mocht worden.
10. De uit Laren afkomstige erfgooier Smit werd door een soldaat
doodgeschoten toen hij probeerde een gat in een koedijk (omheining) te
graven
11. De Nieuwe Partij werd genoemd: “Hoofdbestuur van de Gerechtigden
tot de gemeene Heiden en weiden van Gooiland”
12. De Oude Partij: “Vergadering van Stad en Lande van Gooiland”
13. Bij de Erfgooierswet van 1912 werd gesticht: “De Vereniging van Stad
en Lande van Gooiland” Deze Vereniging is opgeheven in 1979.





This page is powered by Blogger. Isn't yours?